IMPLANON NXT insertie en verwijdering

Hoe wordt IMPLANON NXT ingebracht?

Voorwaarde voor succesvol gebruik en een geslaagde verwijdering van het IMPLANON NXT-implantaat is dat het implantaat op correcte en zorgvuldige wijze volgens de instructies wordt ingebracht in de niet-dominante arm. Zowel de arts als de vrouw moet het implantaat onder de huid kunnen voelen. Deze instructies kunnen ook (stap voor stap) worden teruggevonden in de SPC.

Het implantaat moet subdermaal, vlak onder de huid, worden ingebracht.

Bij te diep inbrengen van het implantaat kunnen vaten of zenuwen beschadigd worden. Te diep of onjuist inbrengen is in verband gebracht met paresthesieën (door zenuwbeschadiging), migratie van het implantaat (bij inbrengen in spier of fascie) of, in zeldzame gevallen, met intravasculaire insertie. Bovendien is het implantaat bij diepe insertie niet meer voelbaar, waardoor lokalisatie en verwijdering moeilijk kunnen zijn.

Het inbrengen van IMPLANON NXT moet plaatsvinden onder aseptische omstandigheden en alleen door een gekwalificeerde arts die bekend is met de procedure. Het implantaat mag alleen ingebracht worden met de voorgevulde applicator. De arts verricht de handelingen bij voorkeur vanuit zittende houding zodat de inbrengplaats en de beweging van de naald net onder de huid goed van de zijkant geobserveerd kunnen worden.

Hoe wordt IMPLANON NXT verwijderd?

Raadpleeg de gebruikerskaart voor de locatie van het IMPLANON NXT-implantaat voordat u begint met het verwijderen van het implantaat. Controleer de exacte locatie van het implantaat door palpatie. Als het implantaat niet voelbaar is, kan de aanwezigheid gecontroleerd worden door middel van tweedimensionale röntgenopnamen. Een niet-palpabel implantaat moet eerst gelokaliseerd worden voordat het verwijderd kan worden. Geschikte methoden voor lokalisatie zijn onder andere computertomografie (CT-scan), echografie met een hoogfrequente lineaire array transducer (10 MHz of hoger) of magnetische resonantie (MRI). Als het implantaat niet met een van deze beeldvormende technieken gelokaliseerd kan worden, kan een etonogestrel bepaling gedaan worden om de aanwezigheid aan te tonen. Neem contact op met uw leverancier voor verdere instructies.

Na lokalisatie van een niet-palpabel implantaat kan men overwegen om het te verwijderen onder echografische controle. In enkele gevallen werd melding gemaakt van migratie van het implantaat; meestal gaat het hierbij om een kleine verplaatsing ten opzichte van de oorspronkelijke positie tenzij het implantaat te diep is ingebracht (zie ook rubriek 4.4). Dit zal lokalisatie van het implantaat door palpatie, echografie en/of MRI moeilijker maken; de verwijdering kan een grotere incisie en meer tijd vereisen.

Het implantaat mag alleen onder aseptische omstandigheden verwijderd worden door een arts die bekend is met de techniek.

Een explorerende ingreep zonder kennis van de exacte locatie wordt sterk afgeraden. Verwijdering van diep ingebrachte implantaten moet voorzichtig gebeuren om beschadiging van dieper gelegen zenuwen of bloedvaten te voorkomen; de ingreep mag alleen verricht worden door artsen met kennis van de anatomie van de arm. Deze instructies kunnen ook (stap voor stap) worden teruggevonden in de SPC.

Als het implantaat niet verwijderd kan worden, neem dan contact op met de leverancier voor nader advies.